Het opleidingsplan: vergeet de naderende deadline voor de elektronische neerlegging niet

Het opleidingsplan: vergeet de naderende deadline voor de elektronische neerlegging niet

Sinds de Arbeidsdeal moeten werkgevers met minstens 20 werknemers jaarlijks een formeel opleidingsplan opstellen.

Meer informatie over wat er in dit opleidingsplan moet staan, kan teruggevonden worden in deze nieuwsbrief.

Het ontwerp van het opleidingsplan moet elk jaar ten laatste op 15 maart voorgelegd worden aan de ondernemingsraad, of bij gebrek daaraan aan de vakbondsafvaardiging, of bij gebrek daaraan aan de werknemers. Het finale opleidingsplan moet ten laatste op 31 maart opgesteld worden.

Zodra het finale opleidingsplan opgesteld is, moet het elektronisch worden neergelegd via de applicatie https://www.transfer.werk.belgie.be/.

Deadline

Het opleidingsplan moet binnen de maand na de inwerkingtreding van het plan neergelegd worden. Concreet betekent dit dat de neerlegging van het opleidingsplan voor 2026 ten laatste op 30 april 2026 moet gebeuren.

Indien u vragen heeft over dit onderwerp, aarzel dan niet om ons te contacteren via legal@pro-pay.be.

FLA out, ILA in: wat blijft en wat verandert?

FLA out, ILA in: wat blijft en wat verandert?

Na meerdere uitstellen van de registratieverplichting van opleidingen in de Federal Learning Account (“FLA”), heeft de federale regering uiteindelijk beslist om de FLA definitief af te schaffen met ingang van 1 januari 2026.

De gegevens die reeds werden geregistreerd in de FLA, blijven voorlopig beschikbaar zodat ze nog kunnen worden gedownload en overgezet naar andere systemen. Er kunnen echter geen nieuwe gegevens meer worden toegevoegd. Op 1 januari 2027 zullen deze gegevens definitief worden verwijderd.

Ondertussen werd de vervanging van de FLA door de Individual Learning Account (“ILA”) vanaf 1 januari 2027 aangekondigd. Via het beveiligde digitaal platform van ILA zal elke burger een overzicht kunnen raadplegen van zijn of haar opleidingen, diploma’s en certificaten.

Dit nieuwe systeem zal minder administratief belastend zijn voor werkgevers. In de FLA moesten werkgevers nog zelf alle opleidingen van hun werknemers registreren. In de ILA zullen de werkgever niet langer betrokken zijn: diploma’s en certificaten van erkende opleidingsinstellingen zullen automatisch worden toegevoegd, terwijl burgers enkel nog opleidingen bij niet‑erkende opleidingsinstellingen zelf moeten toevoegen.

De overheid zal in de loop van dit jaar communiceren op welke manier de geregistreerde gegevens kunnen worden opgehaald en eventueel overgezet naar de ILA.

Verplichtingen rond het opleidingsrecht in 2026

Met de afschaffing van de FLA verdwijnt vanaf 1 januari 2026 ook de verplichting om opleidingen te registreren in een individuele opleidingsrekening.

Gezien het individueel opleidingsrecht echter wel blijft bestaan, raden we aan om tot de invoering van de ILA de gevolgde opleidingen en opleidingsrechten per werknemer intern bij te houden en te registreren.

Daarnaast blijft ook de verplichting gelden voor ondernemingen met 20 of meer werknemers om een jaarlijks opleidingsplan op te stellen en te registreren.

Meer informatie over het individueel opleidingsrecht en de verplichting om een jaarlijks opleidingsplan op te stellen, kan u terugvinden in onze nieuwsbrieven van 12 maart 2024 en 17 februari 2025.

Indien u vragen heeft over één van bovenstaande onderwerpen, aarzel niet om ons te contacteren via legal@pro-pay.be.

Geen sectorakkoord 2025-2026 voor paritaire comités 209 en 111

Geen sectorakkoord 2025-2026 voor paritaire comités 209 en 111

In België vindt het sociaal overleg plaats op drie niveaus: interprofessioneel/federaal, sectoraal en op ondernemingsniveau. De afgelopen maanden werden op federaal en interprofessioneel niveau de loonnorm en diverse maatregelen met betrekking tot de tewerkstelling vastgelegd, die als basis hebben gediend voor de sectorale onderhandelingen.

Voor de paritaire comités 209 en 111 werden de sectorale onderhandelingen, zoals gebruikelijk, gezamenlijk gevoerd. Deze gezamenlijke sectorale onderhandelingen hebben echter niet geleid tot een sectorakkoord voor de jaren 2025-2026, wat hoogst uitzonderlijk is.

Wat voorafging

Eind vorig jaar werd al duidelijk dat de standpunten van de sociale partners binnen deze paritaire comités sterk uiteenliepen. Na twee onderhandelingsrondes in december 2025 gingen de partijen zonder akkoord uit elkaar. Kort daarna dienden de vakbonden een stakingsaanzegging in, met als startdatum 15 januari 2026.

Uiteindelijk werd overeengekomen om de sectorale onderhandelingen op 23 januari 2026 te hervatten. Ook tijdens deze nieuwe onderhandelingsronde kon echter geen akkoord worden bereikt.

Wat betekent dit voor de ondernemingen binnen deze paritaire comités?

Gezien er op sectorniveau geen akkoord bereikt werd, moet het sociaal overleg nu voortgezet worden op ondernemingsniveau.

Bij deze onderhandelingen op ondernemingsniveau zal rekening gehouden moeten worden met de loonnorm (= de maximale loonkostontwikkeling), die voor de periode 2025-2026 0% bedraagt. Binnen dit kader kan wel onderhandeld worden over voordelen die niet onder de loonnorm vallen.

Denk daarbij bijvoorbeeld aan een verhoging van de maaltijdcheques. Een onderneming kan deze verhoging op ondernemingsniveau invoeren mits een bijlage bij de arbeidsovereenkomst wordt afgesloten voor elke werknemer. Voor meer informatie rond dit onderwerp verwijzen we naar onze nieuwsbrieven van 20 november 2025 alsook onze nieuwsbrief van 19 januari 2026.

Ook de niet‑recurrente resultaatsgebonden bonus (“loonbonus CAO 90”) en de winstpremie vallen buiten de loonnorm. Meer informatie hierover staat in onze nieuwsbrief van 27 januari 2026.

En wat met de sociale vrede?

In een sectorakkoord wordt doorgaans een clausule rond sociale vrede opgenomen waarin de sociale partners zich verbinden om geen bijkomende eisen te stellen op sector- of ondernemingsniveau voor de onderwerpen opgenomen in het sectorakkoord.

Nu zo’n clausule ontbreekt, bestaat de mogelijkheid dat ondernemingen tijdens verdere onderhandelingen geconfronteerd worden met stakingsaanzeggingen van de vakbonden.

Indien u vragen heeft over dit onderwerp, aarzel dan niet om ons te contacteren via legal@pro-pay.be.

Impact Wet versterkt terug naar werk-beleid

Impact Wet versterkt terug naar werk-beleid

Op 30 december 2025 werd de Wet tot uitvoering van een terug naar werk-beleid in geval van arbeidsongeschiktheid gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Deze Wet brengt een aantal belangrijke maatregelen met zich mee die als doel hebben langdurig ziekteverzuim te voorkomen en de re-integratie van werknemers te bevorderen. Het basisprincipe van de Wet is het versterken van de verantwoordelijkheid van de verschillende betrokken partijen (werknemers, werkgevers en de mutualiteiten).

Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste gevolgen voor werkgevers:

1. Actief afwezigheidsbeleid – wijziging van het arbeidsreglement

Ter preventie van langdurige afwezigheid, zijn werkgevers verplicht een actief afwezigheidsbeleid te voeren. Dit beleid omvat met name het opstellen van een concrete procedure voor het leggen en onderhouden van contact met werknemers tijdens hun afwezigheid. De specifieke modaliteiten van deze procedure moeten worden opgenomen in het arbeidsreglement van de onderneming, dat bijgevolg moet worden aangepast. Indien nodig, moet ook het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk worden geraadpleegd in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke vereisten.

Wij staan u graag bij indien u hulp nodig heeft bij het aanpassen van uw arbeidsreglement.

Datum van inwerkingtreding: 1 januari 2026

2. Solidariteitsbijdrage in geval van langdurige afwezigheid

De Wet voert een solidariteitsbijdrage in op kwartaalbasis voor werkgevers met gemiddeld 50 of meer werknemers. Deze bijdrage bedraagt 30 % van de arbeidsongeschiktheidsuitkering voor een periode van twee maanden (de tweede en derde maand volgend op de 30 dagen van gewaarborgd loon). Deze bijdrage is verschuldigd aan de RSZ (Rijksdienst voor Sociale Zekerheid) in geval van ziekte van een werknemer tussen 18 en 54 jaar. De bijdrage wordt automatisch berekend en geïnd door de RSZ, op basis van de informatie die door de mutualiteit wordt verstrekt. De RSZ bepaalt het verschuldigde bedrag en vordert dit in via een debetnota, samen met de reguliere socialezekerheidsbijdragen voor het derde kwartaal volgend op het kwartaal waarin de ziekte is begonnen.

De bijdrage is niet verschuldigd in geval van ziekte van bepaalde categorieën werknemers, waaronder uitzendkrachten, flexijobbers en gelegenheidsarbeiders in bepaalde sectoren.

De solidariteitsbijdrage is verschuldigd voor periodes van arbeidsongeschiktheid die zich voordoen vanaf 1 januari 2026.

3. Vrijstelling van medisch attest voor de eerste dag van arbeidsongeschiktheid

Zoals u misschien al weet, zijn bedrijven met 50 of meer werknemers verplicht om werknemers toe te staan om maximaal 3 keer per jaar één dag afwezig te zijn zonder medisch attest. Kleinere bedrijven kunnen ervoor kiezen om deze regel expliciet uit te sluiten in het arbeidsreglement.

De Wet vermindert het aantal keren dat een werknemer zonder medische attest afwezig mag zijn van 3 keer naar 2 keer per jaar.

Als uw bedrijf van plan is deze strengere regeling toe te passen, moet u uw arbeidsreglement aanpassen wanneer daarin expliciet wordt verwezen naar de vorige vereiste van 3 dagen. Uiteraard kan u altijd gunstigere regels toepassen en 3 dagen zonder attest blijven toestaan in plaats van 2.

Datum van inwerkingtreding: 1 januari 2026

4. Medische overmacht

Overeenkomstig de Belgische wetgeving kan een arbeidsovereenkomst worden beëindigd op grond van medische overmacht wanneer een werknemer omwille van langdurige arbeidsongeschiktheid niet langer in staat is zijn werk uit te voeren. Als onderdeel van deze procedure wordt nagegaan of de werknemer de oorspronkelijk overeengekomen taken kan verrichten en of er aangepast werk mogelijk is. Als wordt vastgesteld dat de werknemer definitief ongeschikt is om het overeengekomen werk uit te voeren en er geen aangepaste functie mogelijk is, kan de werkgever overgaan tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op grond van medische overmacht.

De nieuwe Wet vermindert de ononderbroken periode van arbeidsongeschiktheid die vereist is om de procedure voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens medische overmacht in te leiden van 9 maanden naar 6 maanden.

De wachttijd voordat een nieuwe procedure kan worden ingeleid, wordt eveneens teruggebracht tot 6 maanden.

Datum van inwerkingtreding: 1 januari 2026.

5. Verlenging van hervaltermijn van 14 dagen naar 8 weken voor het recht op gewaarborgd loon

Overeenkomstig het Belgische arbeidsrecht hebben werknemers recht op gewaarborgd loon gedurende de eerste 30 kalenderdagen van arbeidsongeschiktheid. Er is sprake van een ‘herval’ wanneer een werknemer binnen 14 kalenderdagen na een eerdere periode van arbeidsongeschiktheid, die aanleiding gaf tot betaling van gewaarborgd loon, opnieuw arbeidsongeschikt wordt om dezelfde onderliggende reden. In geval van herval heeft de werknemer niet opnieuw recht op gewaarborgd loon.

De Wet verlengt de hervalperiode tot 8 weken. Er begint dus geen nieuwe periode van gewaarborgd loon wanneer een werknemer binnen 8 weken na het einde van een vorige periode van arbeidsongeschiktheid, waarvoor gewaarborgd loon werd betaald, opnieuw arbeidsongeschikt wordt om dezelfde reden.

Datum van inwerkingtreding: 1 januari 2026 en van toepassing op iedere arbeidsongeschiktheid die zich vanaf die datum voordoet.

6. Gedeeltelijke werkhervatting en neutralisatie van gewaarborgd loon

Voorafgaand aan de nieuwe Wet was de regel dat wanneer een werknemer gedeeltelijk het werk hervatte, er een limiet was van 20 weken waarin het gewaarborgd loon werd geneutraliseerd in geval van een nieuwe periode van volledige arbeidsongeschiktheid tijdens de gedeeltelijke werkhervatting. Na afloop van die periode had de werknemer wel opnieuw recht op gewaarborgd loon.

Deze beperking van 20 weken is opgeheven, wat betekent dat de neutralisatie van het gewaarborgd loon geldt tijdens de volledige duur van de gedeeltelijke werkhervatting. De werknemer zal dus geen recht hebben op gewaarborgd loon in geval van een periode van volledige arbeidsongeschiktheid tijdens de gedeeltelijke werkhervatting.

Datum van inwerkingtreding: 1 januari 2026 en van toepassing op periodes van arbeidsongeschiktheid die zich vanaf die datum voordoen.

7. Beoordeling van het arbeidspotentieel en nieuwe sanctie in het sociaal strafwetboek

In januari 2026 werd de Codex Welzijn op het Werk gewijzigd om werkgevers te verplichten om in geval van arbeidsongeschiktheid een beoordeling van het “arbeidspotentieel” van de werknemer te verzoeken. Deze beoordeling wordt uitgevoerd door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, op basis van informatie die via een gestandaardiseerd formulier wordt verstrekt. De werkgever kan deze beoordeling ten vroegste acht weken na het begin van de arbeidsongeschiktheid aanvragen.

Wanneer uit de beoordeling blijkt dat de werknemer arbeidspotentieel heeft, zijn werkgevers met ten minste 20 werknemers verplicht om binnen zes maanden na het begin van de arbeidsongeschiktheid een re-integratietraject op te starten.

Deze verplichting geldt voor periodes van arbeidsongeschiktheid die vanaf 1 januari 2026 aanvatten.

Daarnaast introduceert de Wet van 19 december 2025 een nieuwe sanctie van niveau 2 in het Sociaal Strafwetboek. Deze sanctie is van toepassing op werkgevers met ten minste 20 werknemers die nalaten de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer te verzoeken om binnen de voorgeschreven termijn van 6 maanden een re-integratieproces op te starten, wanneer de werknemer over arbeidspotentieel beschikt.

Datum van inwerkingtreding: 1 januari 2026.

Actiepunten

Deze wetshervorming betekent een belangrijke verschuiving in de Belgische aanpak van langdurige arbeidsongeschiktheid en re-integratie. Werkgevers krijgen te maken met nieuwe verplichtingen, meer administratieve follow-up en mogelijke financiële gevolgen bij niet-naleving. Het is daarom essentieel om het interne afwezigheidsbeleid – en met name het arbeidsreglement – aan te passen en HR-teams voor te bereiden op de veranderingen, zodat vanaf januari 2026 volledig aan de nieuwe wetgeving kan worden voldaan.

Als u ondersteuning nodig heeft bij het beoordelen van de impact op uw bedrijf of het aanpassen van uw interne documenten, staan wij tot uw beschikking.

Sectorakkoord 2025-2026 voor het paritair comité 226

Sectorakkoord 2025-2026 voor het paritair comité 226

In België vindt het sociaal overleg plaats op drie niveaus: interprofessioneel/federaal, sectoraal en op ondernemingsniveau. De afgelopen maanden werden op federaal en interprofessioneel niveau de loonnorm en diverse maatregelen met betrekking tot de tewerkstelling vastgelegd, die als basis hebben gediend voor de sectorale onderhandelingen.

Deze onderhandelingen werden gevoerd binnen PC 226 en hebben geleid tot een sectorakkoord voor de jaren 2025–2026 (geldig van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2026). Hieronder vindt u een overzicht van de belangrijkste beslissingen die van toepassing zijn op uw sector voor het komende jaar.

1. Maaltijdcheques: progressieve verhoging van de werkgeversbijdrage

De werkgeversbijdrage voor maaltijdcheques wordt in 2026 progressief verhoogd:

  • 1 EUR vanaf 1 februari 2026, gevolgd door
  • nog eens 1 EUR vanaf 1 december 2026.

Vanaf 1 december 2026 zal de totale verhoging van de werkgeversbijdrage 2 EUR per maaltijdcheque bedragen.

Werkgevers die al vóór de inwerkingtreding van deze sectorale verhogingen een verhoging van de maaltijdcheques in 2026 hebben toegekend, mogen deze verhoging aftrekken van de sectorale verhoging.

2. Eindejaarspremie

Binnen de sector is het mogelijk om een gedeelte van het vaste component van de eindejaarspremie om te zetten in een gelijkwaardige voordeel.

Vanaf 1 januari 2026 wordt het omzetbare gedeelte verhoogd tot 60% van het vaste deel van de eindejaarspremie (voorheen 50%).

Bovendien zal deze omzetting niet langer beperkt blijven tot voordelen die verband houden met welzijn en/of (groene) mobiliteit, maar kan ze een bredere waaier aan gelijkwaardige voordelen omvatten (die met name via een cafetariaplan kunnen worden geïmplementeerd).

3. Mobiliteit

Privévervoer

Vanaf 1 januari 2026 wordt de werkgeverstussenkomst in de kosten van privévervoer, op basis van de forfaitaire schaal, geïndexeerd met 5,8%.

Fietsvergoeding

Vanaf 1 januari 2026 hebben werknemers die regelmatig met de fiets naar het werk komen, recht op een fietsvergoeding van 0,30 EUR per afgelegde kilometer.

4. Tijdskrediet

Het stelsel van tijdskrediet met motief (voltijds of halftijds) wordt verlengd voor de periode van 1 juli 2025 tot en met 31 december 2027.

Het stelsel van de landingsbanen wordt verlengd voor de periode van 1 januari 2026 tot 31 december 2027.

Vanaf 1 januari 2026 verhoogt de sector de aanvullende uitkering die door het Sociaal Fonds wordt gefinancierd voor werknemers die gebruikmaken van een loopbaanvermindering.

De nieuwe bedragen worden als volgt vastgesteld:

  • Vermindering met 1/5: 110 EUR, vanaf de leeftijd van 60 jaar bij een vermindering in het kader van NAR-cao nr. 103 en vanaf de leeftijd van 55 jaar bij een lange loopbaan, zwaar beroep of nachtarbeid;
  • Vermindering met 1/2 : 130 EUR, vanaf de leeftijd van 55 jaar bij een lange loopbaan, zwaar beroep, nachtarbeid of tijdskrediet met motief.

5. Aanvullende premie – Jeugd- en seniorenvakantie

De werkgever is verplicht om, naast de premie die door de RVA wordt betaald, een aanvullende premie toe te kennen aan werknemers die gebruik maken van de jeugd- of seniorenvakantieregeling.

Vanaf 1 januari 2026 wordt het bedrag van deze aanvullende premie verhoogd tot:

  • 18 EUR bruto voor een halve dag vakantie;
  • 36 EUR bruto voor een volledige dag vakantie.

De werkgever kan dit bedrag terugvorderen bij het Sociaal Fonds.

6. Overig

Aanwervingspremie

Onder bepaalde voorwaarden kunnen ondernemingen genieten van een forfaitaire aanwervingspremie, gefinancierd door het Sociaal Fonds, voor elke aangeworven werknemer die eerder door een ander bedrijf in de sector werd ontslagen, of in het geval van de aanwerving van een jonge werknemer jonger dan 26 jaar.

Vanaf 1 januari 2026 wordt het bedrag van deze aanwervingspremies verhoogd tot 3.000,00 EUR.

Functieclassificatie

De functies van de spoorwegbedrijven worden toegevoegd aan het bestaande functieclassificatiesysteem.

Subsidiekrediet voor opleidingen die niet onder LOGOS vallen

Voor opleidingen waarvoor LOGOS geen gratis opleiding aanbiedt en die door de werkgever worden georganiseerd met een operator naar keuze, kan per kalenderjaar een subsidiekrediet worden aangevraagd.

Het bedrag van dit krediet wordt per werknemer bepaald en varieert naargelang de grootte van de onderneming:

  • voor ondernemingen met maximaal 10 werknemers bedraagt het krediet 110 EUR per werknemer;
  • voor ondernemingen met meer dan 10 werknemers bedraagt het krediet 100 EUR per werknemer.

Vanaf 1 januari 2026 worden deze bedragen verhoogd tot respectievelijk 115 EUR en 105 EUR per werknemer.

Bonusplannen: welke aanpak in 2026?

Bonusplannen: welke aanpak in 2026?

De loonnorm (= de maximale loonkostontwikkeling) wordt om de twee jaar vastgelegd en bepaalt hoeveel de loonkosten in België maximaal kunnen stijgen en fungeert tegelijkertijd als een soort van omkadering van het tweejaarlijks loonoverleg in de sectoren en ondernemingen. De loonnorm voor de periode 2025-2026 bedraagt 0%.

Om die reden vestigen we met deze nieuwsbrief graag nog eens de aandacht op de niet-recurrente resultaatsgebonden bonussen en de winstpremie. Beide soorten premies worden niet in rekening gebracht op de loonnorm. U kan deze premies dus toekennen, ook al mag in uw onderneming de loonkost niet meer stijgen.


De niet-recurrente resultaatsgebonden bonus

De Belgische wetgeving voorziet in een collectief bonussysteem verbonden aan de resultaten van de onderneming dat op fiscaal vlak een gunstige behandeling geniet. De wettelijke basis voor deze bonus is de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 90.

Welk voordeel biedt deze premie?

De cao 90 premie is niet onderworpen aan bedrijfsvoorheffing, is fiscaal aftrekbaar als bedrijfskost en komt niet in aanmerking voor bv. de berekening van de opzeggingsvergoeding en het vakantiegeld.

De premie is wel onderworpen aan een bijzondere werkgeversbijdrage voor de sociale zekerheid van 33% en een solidariteitsbijdrage van 13,07% aan werknemerszijde.

Is er een maximumbedrag voorzien?

Ja, het voordeel mag niet groter zijn dan een bepaald jaarlijks geïndexeerd grensbedrag:

  • Sociale maximumgrens = € 4.255 (bedrag 2026) per werknemer per kalenderjaar. Op dit bedrag wordt een solidariteitsbijdrage van 13,07% ingehouden aan werknemerszijde.
  • Fiscale maximumgrens = € 3.701 (bedrag 2026) vrijgesteld van belastingen.

Welke voorwaarden moeten vervuld zijn om deze premie toe te kennen?

  • Het is een collectief voordeel, onderworpen aan de vervulling van vooraf bepaalde collectieve resultaten of doelstellingen;
  • De resultaten of doelstellingen moeten gelden voor een onderneming, voor een groep van ondernemingen of voor een welomschreven groep van werknemers;
  • De resultaten of doelstellingen zijn duidelijk aflijnbaar, transparant, definieerbaar/meetbaar en verifieerbaar. In de praktijk merken we dat vooral doelstellingen die gelinkt zijn aan cijfers (controle op basis van boekhoudkundige documenten) aanvaard worden. Voorbeelden van doelstellingen zijn: het behalen van een concreet omzetcijfer gedurende de referteperiode, het doen dalen van de foutenmarge, de vermeerdering van het aantal klanten, ….
  • Het behalen van de resultaten of doelstellingen moet onzeker zijn op het ogenblik van het invoeren van het bonusplan;
  • Het bonusplan moet voldoen aan bepaalde formaliteiten zoals het opmaken van een toetredingsakte of het afsluiten van een cao. U dient hiervoor een verplicht modelformulier te gebruiken! Pro-Pay kan u bijstaan om dit formulier correct in te vullen.

! Indien u een plan wenst op te maken voor het volledige kalenderjaar 2026, dient dit plan ten laatste op 30 april 2026 te zijn neergelegd bij de FOD WASO.

De winstpremie

Deze premie maakt het mogelijk om een deel of het geheel van de winst toe te kennen aan de werknemers en geniet op fiscaal vlak en op het vlak van sociale zekerheid een gunstige behandeling. Net zoals de niet-recurrente resultaatsgebonden premie heeft deze premie een collectief karakter.

Welk voordeel biedt deze premie?

Deze premie is niet onderworpen aan werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid.
De werknemer zal wel 13,07% solidariteitsbijdrage betalen en bedrijfsvoorheffing aan een vast percentage van 7%.

Is er een maximumbedrag voorzien?

Er is geen maximumbedrag voorzien, maar het totaal uit te keren bedrag mag niet hoger zijn dan 30% van de totale bruto loonmassa van het boekjaar. Noteer ook dat de winstpremie niet aftrekbaar is als beroepskost in de vennootschapsbelasting.

Welke voorwaarden moeten vervuld zijn om deze premie toe te kennen?

  • De onderneming is onderworpen aan de Belgische vennootschapsbelasting of aan de belasting voor niet-inwoners;
  • Toekenning enkel op basis van (een deel van) de winst;
  • Indien de werkgever een identiek bedrag of een identiek percentage toekent aan alle werknemers, volstaat een beslissing van de Algemene Vergadering en een schriftelijke mededeling door de werkgever;
  • Indien de werkgever verschillende winstpremies wenst toe te kennen aan verschillende categorieën van werknemers, zal ook een toetredingsakte of ondernemings-cao nodig zijn;
  • De werkgever kan bepalen dat werknemers die werden ontslagen om dringende redenen en/of werknemers die zelf ontslag gegeven hebben en de onderneming hebben verlaten tijdens het boekjaar, worden uitgesloten van deze premie;
  • De werkgever kan ook rekening houden met het tewerkstellingsregime van de werknemers en kan ervoor kiezen om bepaalde inactiviteitsperiodes van de werknemers tijdens het boekjaar niet mee te tellen bij de bepaling van de premie.

Welke premie toekennen aan uw werknemers?

Welke premie u het beste toekent aan uw werknemers hangt af van wat u juist wenst te belonen.

Wilt u deze premie koppelen aan het behalen van bepaalde doelstellingen of liever niet? Wilt u alle werknemers belonen of enkel een bepaalde categorie? Of wenst u misschien beide premies te combineren? Ook dat is mogelijk.

Indien uw onderneming in België niet onderworpen is aan de vennootschapsbelasting of belasting voor niet-inwoners, is de toekenning van de winstpremie niet mogelijk. Het invoeren van een niet-recurrente resultaatsgebonden bonus kan wel.

Aarzel niet om ons te contacteren voor meer informatie en begeleiding via legal@pro-pay.be.

Wijzigingen aan Belgisch arbeidsrecht in 2026: wat ligt er al vast?

Wijzigingen aan Belgisch arbeidsrecht in 2026: wat ligt er al vast?

In deze nieuwsbrief bezorgen wij u een overzicht van een aantal belangrijke sociale en arbeidsrechtelijke ontwikkelingen die in 2026 relevant zijn voor werkgevers, zodat u tijdig op de hoogte bent van de aankomende veranderingen en u zich hierop kunt voorbereiden. Andere belangrijke onderwerpen worden uitgediept in afzonderlijke nieuwsbrieven.

1. Maaltijdcheques: fiscale aftrekbaarheid en tijdelijke uitsluiting loonnorm bevestigd

Zoals reeds vermeld in een eerdere nieuwsbrief, werd recent beslist om de maximale waarde van de maaltijdcheques te verhogen met 2 EUR (van 8 EUR naar 10 EUR). Op dat moment bestond er nog onduidelijkheid over de verhoging van de fiscale aftrekbaarheid van de werkgeversbijdrage. Intussen werd deze fiscale vrijstelling vastgelegd in een nieuwe wet.

Vanaf 1 januari 2026 wordt het bedrag dat de werkgever fiscaal als beroepskost kan aftrekken verhoogd van 2 EUR naar 4 EUR, op voorwaarde dat hij de maximale werkgeversbijdrage van 8,91 EUR per maaltijdcheque betaalt.

Daarnaast werd bevestigd dat een verhoging van de maaltijdcheques geen impact heeft op de loonnorm in het jaar 2026.

Tot slot werd binnen de regering geen verdere bespreking gevoerd over de eerder aangekondigde afschaffing van de ecocheques.

Actiepunt
Informeer uw dossierbeheerder indien u de maaltijdcheques wenst te verhogen en onderteken met de betrokken werknemers een addendum aan de arbeidsovereenkomst over de verhoging.

! Hoewel een verhoging op federaal niveau niet verplicht is, kunnen sectoren via sectorale akkoorden alsnog een verhoging van de maaltijdcheques opleggen. Uiteraard informeren wij onze klanten systematisch over relevante sectorale ontwikkelingen.

2. Verplicht mobiliteitsbudget vanaf 2027: bent u klaar?

Voortaan zal elke werkgever die gedurende meer dan 36 maanden ten minste één bedrijfswagen ter beschikking stelt, verplicht worden om aan zijn werknemers een mobiliteitsbudget voor te stellen. Deze verplichting geldt vanaf 1 januari 2027 voor ondernemingen die minstens 50 werknemers tewerkstellen. Vanaf 1 januari 2028 wordt deze verplichting uitgebreid tot de werkgevers met minstens 15 werknemers.

Het is momenteel nog onzeker of en hoe het huidige mobiliteitsbudget verder zal worden aangepast. Het voorontwerp van wet wordt voor advies voorgelegd bij de bevoegde instanties en er zijn op dit moment nog geen definitieve details bekend over de praktische uitvoering.

Actiepunt

Hoewel nog niet alle modaliteiten vastliggen, is het verstandig om nu al proactief na te denken over de implementatie van een mobiliteitsbudget. Het opzetten van een dergelijk systeem vergt immers tijd, zowel administratief als organisatorisch. Door vandaag te starten, bent u klaar zodra de verplichting effectief van kracht wordt. Pro-Pay kan u hierbij adviseren en ondersteunen, van advies tot praktische implementatie.

3. Beperking van indexatie (de “centenindex”): geen toepassing in januari

Ter herinnering, in het kader van de begroting wil de regering een nieuw loonindexatiesysteem invoeren waarbij een plafond van 4.000 EUR geldt voor de berekening van de loonindexatie. Voor lonen boven 4.000 EUR zou de indexatie enkel toegepast worden op de eerste 4.000 EUR.

Op dit moment is er bij gebrek aan wettekst nog geen duidelijkheid over het exacte tijdstip van inwerkingtreding, noch over de concrete modaliteiten van de toepassing.

4. Vrijwillige overuren – nieuw regime vanaf 1 april 2026

De overheid heeft een hervorming van de vrijwillige overuren goedgekeurd. Deze zal ingaan vanaf 1 april 2026 (onder voorbehoud van publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad.

  1. Regeling tot en met 31 maart 2026

Momenteel bestaan er twee aparte systemen van vrijwillige overuren:

  • Klassieke vrijwillige overuren
    • Max. 100 uren per jaar (of 120 uren indien geen gebruik wordt gemaakt van relance-uren)
    • Geven geen recht op inhaalrust, wel overloon
    • Een schriftelijk akkoord is vereist voor max. 6 maanden (hernieuwbaar)

  • Relance-uren (“netto-overuren”) – verlenging van het systeem tot en met 31 maart 2026
    • Max. 120 uren per jaar
    • Geven geen recht op inhaalrust noch overloon
    • Niet onderworpen aan sociaal zekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing
    • Een schriftelijk akkoord is vereist voor max. 6 maanden (hernieuwbaar)

In totaal kan een werknemer op dag van vandaag dus tot 220 vrijwillige overuren per jaar presteren (combinatie van klassieke vrijwillige overuren en relance-uren).

  1. Nieuw systeem vanaf 1 april 2026

De Ministerraad heeft een voorontwerp van wet goedgekeurd dat voorziet in één uniform systeem van vrijwillige overuren:

  • 360 vrijwillige overuren per jaar, zonder motief of inhaalrust
  • Maximaal 240 netto overuren
  • Toepasselijk in alle sectoren
  • Een schriftelijk akkoord is vereist voor max. 1 jaar, met stilzwijgende verlenging. Opzeg is mogelijk met een opzegtermijn van 1 maand of in onderling akkoord.
  • Dit regime is enkel van toepassing voor:
    • voltijdse werknemers, of
    • deeltijdse werknemers die minstens 3 jaar deeltijds werken én op voorwaarde dat er een tijdelijke toename is van het werk

Ten slotte een update over de fiscaal gunstige overuren (i.e. de overuren waarvoor een gedeeltelijke vrijstelling van bedrijfsvoorheffing van toepassing is). De structurele uitbereiding naar 180 overuren werd opgenomen in het regeerakkoord, maar is nog niet definitief goedgekeurd door de regering. Voorlopig kunnen in 2026 slechts 130 overuren fiscaal gunstig worden verwerkt, behalve in bepaalde sectoren zoals de bouwsector.

Update forfaitaire vergoedingen dienstreizen

Update forfaitaire vergoedingen dienstreizen

De kosten die een werknemer oploopt wanneer deze voor beroepsdoeleinden de baan opgaat in België of tijdens een beroepsmatig verblijf in het buitenland, kunnen onder bepaalde voorwaarden op forfaitaire wijze vergoed worden door de werkgever. Zowel voor de binnenlandse dienstreizen als voor de buitenlandse dienstreizen zijn er een aantal wijzigingen.

Verhoging RSZ-vergoeding binnenlandse dienstreizen voor niet-sedentaire werknemers

Zogenaamd niet-sedentaire werknemers (dit zijn werknemers die zich minimum 4 opeenvolgende uren per dag moeten verplaatsen) kunnen een tweeledige forfaitaire vergoeding ontvangen:

  • enerzijds een bedrag dat de afwezigheid van faciliteiten compenseert (t.t.z. geen gebruik kunnen maken van de normale wasplaatsen, refters en toiletten die op kantoor aanwezig zijn);
  • anderzijds een bedrag dat de kosten van een maaltijd buitenhuis compenseert.

Het eerste bedrag is gelijk aan 10 EUR per dag, het tweede bedrag verhoogt met ingang van 1 januari 2026 van 7 EUR naar 9 EUR per dag (samen maximum 19 EUR i.p.v. vroeger 17 EUR).

! Indien de betrokken werknemer maaltijdcheques ontvangt, moet de werkgeversbijdrage in de maaltijdcheque verrekend worden met het forfaitair bedrag van 9 EUR.

! Ondanks de verhoging blijft er nog steeds een verschil met het forfaitair bedrag van 21,22 EUR dat momenteel op fiscaal vlak geldt, weliswaar onder voorwaarde van een dienstreis van minstens 6 uur. Om een forfaitair bedrag vrijgesteld van RSZ-bijdragen en belastingen toe te kennen, raden we dus aan om de totale dagvergoeding te beperken tot 19 EUR (vroeger: 17 EUR).

Aanpassing modaliteiten buitenlandse dienstreizen voor hoofdzakelijk sedentaire werknemers

In een vorige nieuwsbrief hadden we reeds gemeld dat de aanvaarde forfaitaire bedragen in de zogenaamde “landenlijst” met ingang van 1 augustus 2025 aangepast werden. Middels een fiscale circulaire van 27 oktober 2025 waar de RSZ zich eind 2025 heeft bij aangesloten, worden met ingang van 1 januari 2025, en dus retroactief, de volgende modaliteiten aangepast:

  • Het is voortaan mogelijk om een volledige dagvergoeding toe te kennen voor een buitenlandse dienstreis met heen- en terugreis op dezelfde dag, ook als deze ééndaagse reis minder dan 10 uur duurt.
  • Een volledige (in plaats van een gehalveerde) dagvergoeding kan ook toegekend worden voor de dag van vertrek en de dag van terugkeer in het kader van een meerdaagse buitenlandse dienstreis.
  • De procentuele verminderingen (35% voor de lunch en 45% voor het diner) wanneer de maaltijdkosten worden betaald door de werkgever of door een derde partij (klant, leverancier, enz.) blijven in alle gevallen behouden.

! De door Pro-Pay ontwikkelde tool werd aangepast om u in staat te stellen zelf eenvoudig de vergoedingen voor buitenlande dienstreizen te berekenen, rekening houdend met bovenstaande wijzigingen.

Contacteer ons via tax@pro-pay.be indien u hiervoor een prijsofferte wenst te ontvangen.

Kilometervergoeding en CREG-tarieven vanaf Q1 2026

Kilometervergoeding en CREG-tarieven vanaf Q1 2026

Werknemers die beroepsverplaatsingen maken met hun eigen wagen kunnen van hun werkgever een terugbetaling krijgen van de gemaakte kosten. Anderzijds kunnen werknemers waaraan een elektrische bedrijfswagen ter beschikking gesteld wordt door de werkgever onder bepaalde voorwaarden een terugbetaling krijgen van de kosten voor de thuis “getankte” elektriciteit. Beide types van vergoeding worden op kwartaalbasis aangepast.

  1. Kilometervergoeding eigen wagen

De overheid legt een maximum forfaitair bedrag per kilometer vast dat aanvaard wordt als kost eigen aan de werkgever (“kilometervergoeding”). Deze kilometervergoeding is vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen en belastingen voor zover het aantal afgelegde kilometers per jaar niet abnormaal hoog mag zijn (maximum 24.000 km per jaar). Als het aantal kilometers hoger ligt, moet hiervan bewijs geleverd worden.

Het nieuwe maximumbedrag dat van toepassing is vanaf 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026 is 0,4326 EUR per kilometer. Er is sprake van een lichte stijging tegenover het vorige bedrag (0,4312 EUR).

Het is alternatief mogelijk om te kiezen voor de jaarlijkse indexering van de kilometervergoeding. Een werkgever kan dus kiezen tussen de driemaandelijkse geïndexeerde bedragen of het jaarlijks geïndexeerd bedrag, dat 0,4449 EUR bedraagt voor de periode van 1 juli 2025 tot en met 30 juni 2026. In het laatste geval moet de werkgever dus hetzelfde bedrag behouden gedurende de hele periode.

De driemaandelijkse en jaarlijkse geïndexeerde bedragen zijn maximumbedragen. Werkgevers kunnen een lagere vergoeding per kilometer toepassen. Een hogere vergoeding per kilometer is ook mogelijk, maar dan moeten werkgever en werknemer bewijzen dat de betaalde vergoeding overeenkomt met de reële kostprijs.

  1. Terugbetaling elektriciteit bedrijfswagen

Thuis “getankte” elektriciteit via een slimme laadpaal kan vrij van RSZ-bijdragen en belastingen terugbetaald worden aan de werknemer. De terugbetaling dient in regel te gebeuren op basis van het trimestrieel CREG-tarief dat geldt voor het gewest waarin de werknemer woont.

Voor de periode vanaf 1 januari tot en met 31 maart 2026 zijn de tarieven als volgt:

  • voor het Vlaams Gewest: 31,32 eurocent/kWh;
  • voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: 34,26 eurocent/kWh;
  • voor het Waals Gewest: 35,23 eurocent/kWh.

De werkgever kan er alternatief voor kiezen om de thuis “getankte” elektriciteit terug te betalen zonder rekening te houden met de woonplaats van zijn werknemers. In dat geval is het maximaal vast tarief per kWh gelijk aan het laagste tarief dat geldt in één van de gewesten voor het betrokken kwartaal (het Vlaams Gewest voor dit kwartaal). Die keuze geldt voor het volledige kalenderjaar.

Sectorakkoord 2025-2026 voor het paritair comité 200

Sectorakkoord 2025-2026 voor het paritair comité 200

In België vindt het sociaal overleg plaats op drie niveaus: interprofessioneel/federaal, sectoraal en op ondernemingsniveau. De afgelopen maanden werden op federaal en interprofessioneel niveau de loonnorm en diverse maatregelen met betrekking tot de tewerkstelling vastgelegd, die als basis hebben gediend voor de sectorale onderhandelingen.

Deze onderhandelingen werden gevoerd binnen PC 200 en hebben geleid tot een sectorakkoord voor de jaren 2025–2026 (geldig van 1 december 2025 tot en met 31 december 2026). Hieronder vindt u een overzicht van de belangrijkste beslissingen die van toepassing zijn op uw sector voor het komende jaar.

  1. Eindejaarspremie

Met ingang van 1 januari 2026 worden bepaalde regels met betrekking tot de eindejaarspremie versoepeld en zal de berekening ervan op een aantal punten worden aangepast:

  • 5 dagen tijdelijke werkloosheid (ongeacht of het gaat om werkgebrek wegens economische oorzaken of wegens overmacht) worden in aanmerking genomen voor de berekening van de eindejaarspremie. Tot op heden werden deze schorsingsperioden niet gelijkgesteld.
  • Een bediende die in de loop van het jaar door zijn/haar werkgever wordt ontslagen (behalve in geval van dringende reden) behoudt zijn/haar recht op de eindejaarspremie, zelfs indien hij/zij een tegenopzegging betekent. Voorheen verloor de ontslagen bediende hierdoor zijn/haar recht op de eindejaarspremie.
  • Een bediende die zelf ontslag neemt of van wie de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord wordt beëindigd, kan voortaan aanspraak maken op een eindejaarspremie pro rata zijn/haar prestaties, op voorwaarde dat hij/zij minstens 3 jaar anciënniteit in de onderneming kan bewijzen, tegenover de 5 jaar die tot nu toe vereist waren.

  1. Tijdskrediet

De regeling inzake tijdskrediet (met inbegrip van tijdskrediet met motief) wordt verlengd voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 30 juni 2029.

De sector behoudt eveneens de aanvullende vergoeding die wordt gefinancierd door het Sociaal Fonds voor:

  • de bedienden die een tijdskrediet landingsbaan van 1/5de starten vanaf de leeftijd van 60 jaar of later;
  • de bedienden die een tijdskrediet landingsbaan starten vanaf de leeftijd van 55 jaar of later, in toepassing van de NAR-cao nr. 179 en 180 (betreffende lange loopbaan van 35 jaar, zwaar beroep en 20 jaar nachtarbeid).

  1. Klein verlet (rouwverlof)

Vanaf 1 januari 2026 worden twee bijkomende dagen afwezigheid toegekend in twee gevallen van klein verlet voor rouw. Voor deze twee bijkomende dagen heeft de bediende het recht afwezig te zijn met behoud van het normale loon.

De twee betrokken gevallen van klein verlet hebben betrekking op:

  • Het overlijden van de echtgeno(o)t(e) of wettelijk samenwonende partner van de bediende, van een kind van de bediende of van zijn/haar echtgeno(o)t(e) of wettelijk samenwonende partner. In dat geval wordt de totale duur van het verlof verhoogd tot 12 dagen (10 + 2), waarvan 3 dagen moeten worden opgenomen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en 9 dagen (7 + 2) moeten worden opgenomen binnen het jaar na de dag van het overlijden.

    Er kan van de beide perioden waarin deze dagen moeten worden opgenomen, worden afgeweken op vraag van de bediende mits een akkoord van de werkgever.
  • Het overlijden van de vader of moeder van de bediende of van zijn/haar echtgeno(o)te of wettelijk samenwonende partner. In dit geval wordt de totale duur van het verlof verhoogd tot 5 dagen (3 + 2), waarvan drie dagen moeten worden opgenomen tussen het overlijden en de begrafenis, en twee bijkomende dagen binnen het jaar na het overlijden naar keuze van de bediende.

Ook hier kan, mits akkoord van de werkgever, van de vastgelegde periodes worden afgeweken.

  1. Mobiliteit

Openbaar vervoer – trein

Vanaf 1 januari 2026 zal de werkgever 100% van de prijs van de treinkaart in tweede klasse vanaf de eerste kilometer ten laste nemen (in plaats van momenteel 80%).
Het is aanbevolen om een derdebetalersregeling af te sluiten met de NMBS, waarbij een tussenkomst van 20% door de overheid wordt gedragen, wat resulteert in een volledige terugbetaling (100%) zonder bijkomende kosten voor de werkgever.

Fietsvergoeding

Vanaf 1 oktober 2026 zullen werknemers die regelmatig met de fiets naar het werk komen, een vergoeding ontvangen van 0,32 EUR per afgelegde kilometer, met een maximum van 12,80 EUR per dag (dus maximaal 40 km heen en terug).

Privé vervoermiddel

Vanaf 1 januari 2026 zal het plafondbedrag van het bruto jaarloon dat in aanmerking wordt genomen voor de tussenkomst van de werkgever in de kosten van privévervoer (momenteel 34.654 EUR) worden aangepast. Elk jaar zal dit plafondbedrag worden aangepast op basis van de evolutie van de gemiddelde gezondheidsindex, en dit vanaf 1 januari 2027.