Plafonnering van patronale sociale zekerheidsbijdragen op hoge lonen: mogelijke wijzigingen vanaf juli 2025

Plafonnering van patronale sociale zekerheidsbijdragen op hoge lonen: mogelijke wijzigingen vanaf juli 2025

Werkgevers en werknemers die onderworpen zijn aan de Belgische sociale zekerheid, moeten bijdragen betalen aan de RSZ (Rijksdienst voor Sociale Zekerheid). Werknemersbijdragen bedragen 13,07% van het brutoloon en worden ingehouden op het loon van de werknemer via de loonadministratie.

De patronale bijdragen of “werkgeversbijdragen” worden berekend bovenop het brutoloon en verhogen daardoor de loonkost voor de werkgever. Het percentage van de werkgeversbijdragen varieert naargelang het bevoegde paritair comité: voor bedienden bedraagt dit meestal rond de 27%, maar voor arbeiders kan dit oplopen tot 45% of meer. De werkgeversbijdragen zijn bovendien niet geplafonneerd.

Om de concurrentiekracht van het land te behouden, stelt de regering een nieuwe maatregel voor waarbij werkgeversbijdragen aan de sociale zekerheid worden geplafonneerd vanaf 1 juli 2025.

Werkgeversbijdragen zouden enkel verschuldigd zijn op het deel van het kwartaalloon dat onder een bepaalde drempel valt. Voor lonen boven deze grens zouden er geen basiswerkgeversbijdragen meer verschuldigd zijn.

De drempel waarboven geen RSZ-werkgeversbijdragen meer verschuldigd zouden zijn, moet nog worden bevestigd bij Koninklijk Besluit. Wel is duidelijk dat het om hoge lonen gaat, aangezien we vernomen hebben dat het bruto jaarloon dat in aanmerking genomen wordt voor een plafonnering, 340.000 EUR bedraagt. Dit bedrag zou aan indexatie onderhevig zijn.

Opmerking: Specifieke RSZ-werkgeversbijdragen (zoals het Sluitingsfonds, fondsen voor bestaanszekerheid, enz.) blijven verschuldigd op het volledige loon dat aan sociale zekerheid onderworpen is. Het plafond is evenmin van toepassing op de werknemersbijdragen (13,07%).

Studentenarbeid: waarmee moet men rekening houden in 2025?

Studentenarbeid: waarmee moet men rekening houden in 2025?

Met enkele warme weken achter de rug worden we eraan herinnerd dat de zomervakantie voor de deur staat. Tijd dus om de basisprincipes van studentenarbeid opnieuw op een rijtje te zetten.

Wie komt er in aanmerking voor studentenarbeid?

Een student moet minstens 16 jaar oud zijn (15 jaar indien hij/zij de eerste twee jaar van het secundair onderwijs heeft gevolgd) en onderwijs met een voltijds leerplan volgen. Iemand die een avondcursus volgt komt dus niet in aanmerking voor studentenwerk.

Een student die zijn/haar studies beëindigt in juni en zijn/haar diploma behaalt, kan nog tot en met 30 september van dat jaar werken met een studentenovereenkomst.

Een student die echter tijdens het academiejaar zijn/haar studies beëindigt, wordt niet langer als een student beschouwd en kan geen studentenovereenkomst meer afsluiten, zelfs indien hij/zij niet onmiddellijk zijn/haar diploma ontvangt.

De student mag maximum 12 ononderbroken maanden werken bij dezelfde werkgever.

Lagere solidariteitsbijdrage voor studenten en contingent van 650 uur

Studentenarbeid is onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld van gewone sociale zekerheidsbijdragen (ca. 28% voor de werkgever en 13,07% voor de werknemer). Indien aan de volgende voorwaarden voldaan is, is de studentenarbeid louter aan een veel lagere solidariteitsbijdrage (5,42% voor de werkgever en 2,71% voor de student) onderworpen:

  • De student is tewerkgesteld in het kader van een voorafgaandelijk gesloten schriftelijke studentenovereenkomst die de wettelijk verplichte vermeldingen bevat. De studentenovereenkomst is steeds een overeenkomst van bepaalde duur (maximum 12 maanden).
  • * Nieuw * In maart 2025 werd een wetsvoorstel aangenomen dat voorziet in een uitbreiding van het contingent voor studentenarbeid onder solidariteitsbijdrage. Het contingent werd in 2023 en 2024 al tijdelijk verhoogd van 475 uren naar 600 uren, maar zou bij uitblijven van een wettelijke aanpassing terug verlagen naar 475 uren. Met de nieuwe wettelijke aanpassing wordt met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2025 het maximaal aantal uren dat kan gepresteerd worden als student onder solidariteitsbijdrage verhoogd naar 650 uren per jaar.

    Indien de student méér werkt dan 650 uur, is vanaf het 651ste uur de solidariteitsbijdrage niet langer van toepassing, maar zullen gewone sociale zekerheidsbijdragen (zoals voor een gewone werknemer) verschuldigd zijn.

    De student kan zijn/haar aantal gewerkte uren opzoeken op Student@work. Daar kan de student een attest met het aantal beschikbare uren downloaden. Wij raden aan om dit vooraf bij de student op te vragen zodat u zeker weet hoeveel uur de student nog aan de voordelige solidariteitsbijdrage bij u kan werken.
  • De student mag alleen werken tijdens periodes waarin hij/zij niet verplicht aanwezig moet zijn in de onderwijsinstelling.
  • De werkgever heeft vóór aanvang van de studentenarbeid een bijzondere Dimona-aangifte voor studenten gedaan. Indien u wenst dat uw Payroll Business Partner deze aangifte doet, licht hem of haar dan minstens twee werkdagen voor de aanvang van de overeenkomst in.

Loon en arbeidsvoorwaarden

U moet minstens het minimumloon, zoals dat voor uw andere werknemers vastgesteld en van toepassing is in de sector (of op het niveau van de onderneming indien er gunstiger regels werden overeengekomen), betalen aan de student, tenzij de sector zelf in een uitzondering voorziet voor studenten. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval in PC 200 (aanvullend paritair comité voor bedienden), waar specifieke minimumlonen voor studenten bestaan.

Op de tewerkstelling van studenten zijn in algemene zin dezelfde arbeidsrechtelijke regels van toepassing als op de tewerkstelling van een gewone werknemer. Zo moeten studenten bijvoorbeeld ook een kopie van het arbeidsreglement ontvangen bij hun indiensttreding.

Toch zijn er enkele uitzonderingen op dit algemeen principe. Zo bevat de arbeidsovereenkomst van studenten een proefperiode van 3 dagen; mogen studenten minder dan 1/3 van de wekelijkse arbeidsduur werken (bij een 38 uren week, betekent dit dat studenten minder mogen werken dan 13 uur per week) en is nachtarbeid in de meeste gevallen verboden voor minderjarigen.

Inschrijvingsbewijs

Als werkgever moet u kunnen aantonen dat de tewerkgestelde persoon wel degelijk student is. De RSZ vereist dan ook dat u een inschrijvingsbewijs voor het lopende school- of academiejaar kan voorleggen op hun verzoek.

Om die reden raden wij dan ook ten sterkste aan om aan de student een kopie van zijn inschrijvingsbewijs te vragen vóór de start van zijn overeenkomst en dit te bewaren.

Wat moet u doen als werkgever?

Vóór de indiensttreding van een student:

  • Opvragen inschrijvingsbewijs en attest Student@work
  • Studentenovereenkomst ondertekenen
  • Dimona-aangifte doen -> Informeer Pro-Pay min. 2 werkdagen op voorhand!

Bij indiensttreding: de student een afschrift van het arbeidsreglement bezorgen en hem/haar vragen om een ontvangstbewijs te ondertekenen.

Indien u nog vragen heeft, kunt u gerust contact met ons opnemen.

Indieningstermijnen aangifte personenbelasting aanslagjaar 2025

Indieningstermijnen aangifte personenbelasting aanslagjaar 2025

Het indienen van de belastingaangifte staat weer voor de deur!

Als rijksinwoner van België, woonachtig en werkende in België, bent u verplicht een aangifte in de personenbelasting in te dienen bij de Belgische belastingdiensten.

In deze aangifte vermeldt u al uw persoonlijke gegevens en inkomsten zodat de Belgische fiscale overheid correct uw finale belastingen kunnen bepalen.

De aangifte personenbelasting die u dit jaar dient in te dienen, is gerelateerd aan inkomstenjaar 2024. Individuen die in de loop van 2024 naar België zijn verhuisd en bijgevolg rijksinwoner werden gedurende 2024, moeten dus voor de eerste keer dit jaar hun aangifte personenbelasting in België indienen.

Wij bezorgen u hieronder graag een overzicht van de toepasselijke termijnen om uw aangifte in de personenbelasting in te dienen. Er zijn verschillende deadlines van toepassing, afhankelijk of er specifieke inkomsten in uw aangifte dienen te worden aangegeven en afhankelijk van de manier van indiening (papier of elektronisch). In tegenstelling tot het verleden, hangt de indieningstermijn niet langer af van het feit wie de aangifte indient (uzelf of een belastingadviseur).

Papieren indiening

Indien het de eerste keer is dat u een aangifte indient in België, sturen de Belgische belastingdiensten u in principe een papieren formulier per gewone post in de loop van de maand mei. U kan de brief herkennen aan de grote bruine enveloppe.

Bruine envelop met brief

Indien u deze brief niet spontaan ontvangt van de Belgische overheid, is het uw persoonlijke verplichting om op eigen initiatief het formulier aan te vragen bij uw lokaal belastingkantoor. Het is aangeraden om dit begin juni aan te vragen om uzelf voldoende tijd te gunnen de aangifte tijdig in te dienen.

De papieren aangifte in de personenbelasting dient ten laatste op 30 juni 2025 bij de Belgische belastingdiensten toe te komen.

Elektronische indiening

Daarnaast is het mogelijk uw aangifte in de personenbelasting elektronisch in te dienen via Tax-On-Web (MyMinFin). Wanneer u de aangifte elektronisch indient, is de uiterlijke indieningstermijn 15 juli 2025.

U kan zich eenvoudig aanmelden via MyMinFin via uw e-ID met gebruik van de “itsme” applicatie.

Speciale gevallen

  1. Aangifte personenbelasting met specifieke inkomsten

Indien uw aangifte personenbelasting specifieke inkomsten bevat en u dient de aangifte elektronisch in, is een verlengde indieningstermijn van toepassing, namelijk 16 oktober 2025.

De verlengde indieningstermijn is van toepassing indien u zich in één van volgende situaties bevindt:

  • Uw aangifte bevat zelfstandig inkomen of buitenlands professioneel inkomen;
  • U geeft voor de eerste maal in uw aangifte één of meerdere van onderstaande zaken aan:
    • Een buitenlands onroerend goed
    • Een onderhoudsuitkering ontvangen van of betaald aan een persoon in het buitenland
    • Een lening afgesloten in het buitenland
    • Een juridische constructie
    • En/of de toepassing van het bijzondere belastingstelsel der ingekomen belastingplichtigen of ingekomen onderzoekers

Indien u zich in één van bovenstaande specifieke situaties bevindt, maar u dient uw aangifte niet elektronisch in, dan blijft de papieren indieningstermijn van 30 juni 2025 gelden.

  1. Voorstel van Vereenvoudigde Aangifte (VVA)

Het gebeurt regelmatig dat de Belgische belastingdiensten een VVA versturen, op basis van de gegevens die de overheid ter beschikking heeft. In het geval u zo’n VVA ontvangt, dient u in principe geen aangifte in te dienen.

U dient echter wel nog steeds te verifiëren of het VVA correct en volledig is:

  1. In geval uw VVA correct en volledig is, dient u geen actie te ondernemen. U hoeft niets te doen.
  2. Indien uw VVA echter niet correct en/of onvolledig is, dient u het VVA te corrigeren en/of te vervolledigen:
    1. Ofwel online via MyMinFin: deadline 15 juli 2025 is van toepassing.
    2. Ofwel via gebruik van het papieren formulier (in het geval u het VVA via post heeft ontvangen): deadline van 30 juni 2025 is van toepassing.

Vanaf 28 april 2025, wanneer Tax-on-Web opent, kunt u de details van uw voorgestelde aangifte verifiëren.

Assistentie gewenst!

Neem gerust contact op via tax@propay.be indien:

  • U meer informatie wenst in verband met uw persoonlijke inkomstenbelasting;
  • U een opleiding over dit onderwerp wenst te organiseren voor uw medewerkers;
  • U assistentie wenst bij de voorbereiding en indiening van uw aangifte personenbelasting.

Buitenlands talent aantrekken: het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers

Buitenlands talent aantrekken: het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers

Verschillende regeringen in België onderzoeken momenteel manieren om buitenlands talent aan te trekken om structurele tekorten op de Belgische arbeidsmarkt aan te pakken.

In deze context blijft het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers een zeer gunstige maatregel.

Waar gaat het over?

Het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers is door de Belgische regering ingevoerd op 1 januari 2022 en is een vervanging van het bijna 40 jaar oude ‘bijzonder belastingstatuut voor buitenlandse kaderleden’. Dit nieuwe stelsel is inmiddels bij wet ingevoerd en biedt dus meer rechtszekerheid dan het oude regime, dat gebaseerd was op een administratieve circulaire.

Het bijzondere belastingstelsel is een zeer doeltreffende maatregel om de loonkosten voor de onderneming te verlagen voor haar in België werkzame werknemers/bedrijfsleiders die in aanmerking komen.

Wat zijn de voordelen?

Terugkerende kosten

De werkgever mag de betrokken persoon een belastingvrije vergoeding (de zogenaamde ‘kost eigen aan de werkgever’) betalen gelijk aan maximaal 30% van de bruto bezoldiging.

Deze kost eigen aan de werkgever is geplafonneerd op maximaal 90.000 EUR per jaar. Dit plafond moet pro rata worden berekend op basis van het aantal dagen in geval van onvolledige jaren.

Deze terugkerende kosten zijn van toepassing zonder dat hiervoor bewijs moet worden geleverd.

Hieronder kan u een hypothetisch voorbeeld terugvinden:

Zonder toepassing van het bijzonder belastingstelselMet toepassing van het bijzonder belastingstelsel
Bruto bezoldiging130.000100.000
(Minus) Belgische sociale zekerheid voor werknemers
Belastbare bezoldiging113.00986.930
(Minus) Belgische inkomstenbelastingen
(Plus) Kost eigen aan de werkgever030.000
Netto bezoldiging64.34782.220
Kosten voor de onderneming (geschatte sociale werkgeversbijdragen van 27,5%)165.750157.500

Niet-terugkerende kosten

Naast de terugkerende kosten kan de werkgever ook de niet-terugkerende kosten ten gevolge van de tewerkstelling in België ten laste nemen, zoals:

  • Verhuiskosten naar België;
  • Kosten in verband met het bemeubelen van de woning in België tijdens de eerste 6 maanden vanaf de aankomst van de betrokken persoon in België (geplafonneerd op 1.500 EUR);
  • Schoolkosten van de kinderen in België.

Het bedrag en het werkelijk karakter van deze niet-terugkerende kosten moeten worden bewezen met bewijsstukken.

Wat zijn de voorwaarden?

In aanmerking komende werkgever

Ten eerste moet de werkgever in aanmerking komen. De werknemer moet ofwel:

  • Rechtstreeks aangeworven zijn in het buitenland door:
    • Een binnenlandse vennootschap, of
    • Een Belgische inrichting van een buitenlands vennootschap, of
    • Een nationale of internationale vzw.

Of

  • Gedetacheerd worden door een buitenlandse groepsvennootschap die deel uitmaakt van een multinationale groep naar:
    • Een of meer binnenlandse vennootschappen, of
    • Een of meer Belgische inrichtingen van een buitenlandse vennootschap die deel uitmaakt van dezelfde multinationale groep, of
    • Een nationale of internationale vzw.

In aanmerking komende werknemer of bedrijfsleider voor ingekomen belastingplichtigen

De werknemer of bedrijfsleider moet een belastbare, bezoldigde activiteit uitoefenen in België.

Bedrijfsleiders van ‘categorie 1’ (bestuursmandaat en gelijkaardige functies belast met het dagelijks bestuur) en ook bepaalde bedrijfsleiders van ‘categorie 2’ (bestuurders die een leidinggevende functie/activiteit van dagelijks bestuur van commerciële, financiële of technische aard uitoefenen) kunnen in aanmerking komen.

De volgende voorwaarden moeten gelijktijdig worden vervuld door de betrokkene persoon:

  1. Tijdens een periode van 60 maanden voorafgaand aan het begin van de tewerkstelling in België mag deze persoon
    1. geen Belgisch rijksinwoner zijn geweest en
    2. niet binnen een afstand van 150 km van de Belgische grens hebben gewoond en
    3. niet belast zijn als niet-inwoner voor beroepsinkomsten in België.

  1. De betrokken persoon moet een bruto bezoldiging ontvangen van meer dan 75.000 EUR voor diensten geleverd in België tijdens een kalenderjaar.

    Deze drempel wordt pro rata berekend in geval van onvolledige jaren (start-/einddatum van de Belgische tewerkstelling in de loop van het kalenderjaar).
  2. De werkgever moet het akkoord krijgen van de Belgische belastingadministratie voor de betrokken persoon.

    De werkgever moet een aanvraag indienen bij de Belgische belastingadministratie binnen 3 maanden vanaf het begin van de tewerkstelling van de betrokken persoon in België. Laattijdige indiening is niet mogelijk.

In aanmerking komende werknemer voor ingekomen onderzoekers

Er werd een apart stelsel ingevoerd voor ingekomen onderzoekers die in aanmerking komen. Alleen werknemers komen in aanmerking voor dit stelsel, bedrijfsleiders niet.

Een ingekomen onderzoeker is een werknemer die:

  • Alleen of in groep onderzoeksactiviteiten verricht met een wetenschappelijk, fundamenteel, industrieel of technisch karakter binnen een laboratorium of een onderneming die een of meer programma’s inzake onderzoek en ontwikkeling uitvoert, gedurende ten minste 80% van zijn/haar werktijd.
  • In het bezit is van een PhD of masterdiploma in STEM (Science, Technology, Engineering and Mathematics) of 10 jaar relevante werkervaring kan aantonen.

Een minimum bruto jaarbezoldiging is niet vereist voor ingekomen onderzoekers.

De andere voorwaarden zijn dezelfde als die voor het bijzonder belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen.

Beperkt in tijd

Het bijzonder belastingstelsel is beperkt in de tijd. Het stelsel geldt voor een initiële periode van 5 jaar. Een verlenging van de toepassing van het stelsel kan worden aangevraagd voor een bijkomende periode van drie jaar. De totale duur van het stelsel bedraagt dus 8 jaar.

Het bijzonder belastingstelsel eindigt voor de betrokken persoon indien niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan (de voorwaarden voor de werkgever/onderneming; de minimum bezoldiging van 75.000 EUR voor ingekomen belastingplichtigen; of het minimum van 80% van de werktijd aan R&D-programma’s voor ingekomen onderzoekers).

Mogelijke toekomstige veranderingen?

In het nieuwe federale regeerakkoord is aangekondigd dat het bijzonder belastingstelsel nog aantrekkelijker zal worden gemaakt. Dit zou worden bereikt door de niet-belastbare kost eigen aan de werkgever te verhogen van 30 naar 35%, en het huidige plafond van 90.000 EUR af te schaffen. Daarnaast zou de vereiste minimum bruto bezoldiging worden verlaagd van 75.000 EUR naar 70.000 EUR. We houden u op de hoogte zodra er meer details beschikbaar zijn over de implementatie van deze wijzigingen.

Tijd voor actie!

Stuur gerust een e-mail naar tax@propay.be indien:

  • U meer informatie wenst te ontvangen over het bijzonder belastingstelsel;
  • U hulp wenst bij het opstellen en indienen van de aanvraag voor het bijzonder belastingstatuut.

Nieuwsflits FLA : nieuw uitstel voor de registratie van opleidingen – 2025

Nieuwsflits FLA : nieuw uitstel voor de registratie van opleidingen - 2025

In onze nieuwsflits van januari, hebben we u ingelicht over het laatste uitstel tot 1 april 2025 van de registratie van opleidingen in de Federal Learning Account (« FLA »). Een wetsvoorstel werd goedgekeurd op 27 maart 2025, waardoor deze deadline opnieuw wordt uitgesteld, deze keer tot 1 september 2025. Hieronder dus een nieuwe stand van zaken.

Even ter herhaling : Voor dit nieuwe uitstel moest elke werkgever ten laatste op 1 april 2025 in de FLA alle opleidingen registreren die werknemers gevolgd hebben sinds 1 januari 2024.

Uitstel van de FLA en verplichtingen van de werkgevers

De registratie in de FLA is dus uitgesteld tot 1 september 2025. Tot die datum hebben werkgevers de keuze om:

  • De opleidingen die gevolgd werden vanaf 1 januari 2024 te blijven registreren in de FLA;

of

  • Deze opleidingen bij te houden in een individuele opleidingsrekening. Dit is een papieren of elektronisch formulier waarin het opleidingskrediet van de werknemer wordt bijgehouden

Voor meer informatie over de opleidingsrekening en de formaliteiten die gerespecteerd moeten worden bij de opmaak verwijzen wij naar onze nieuwsbrief.

Naar een vervanging van de FLA ?

De federale regering heeft het voornemen bekendgemaakt om de FLA te vervangen door een « eenvoudiger administratief systeem ». Tot op heden hebben we geen idee hoe dit er zal uitzien maar we volgen dit van nabij op en houden u op de hoogte.

Opgelet : De eventuele vervanging van de FLA heeft geen invloed op het individuele opleidingsrecht en ontheft de betrokken werkgevers er niet van om een jaarlijks opleidingsplan op te maken. Voor meer informatie verwijzen we naar onze nieuwsbrieven van 12/03/2024 en 21/10/2024.

Actiepunt ?

Hoewel de deadline is uitgesteld, raden wij aan om de opleidingen die vanaf 1 januari 2024 zijn gevolgd in de FLA te blijven registreren. Op deze manier bent u zeker dat alles tijdig geregistreerd is tegen de nieuwe deadline.

Indien u vragen heeft over onze dienstverlening met betrekking tot de FLA of de hieraan verbonden tarieven, aarzel dan niet om ons te contacteren via legal@propay.be.

Wet private opsporing: impact op uw onderneming

Wet private opsporing: impact op uw onderneming

Op 6 december 2024 is de Wet Private Opsporing (kortweg “WPO”) gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Deze wet vervangt de Detectivewet van 19 juli 1991 die verouderd was. In deze nieuwsbrief bespreken we de WPO en waarom deze een grotere impact heeft op personeelsdiensten dan de Detectivewet. Naar aanleiding van deze wet raden wij u aan om specifieke punten op vlak van informatieverzameling en controle van sollicitanten en werknemers (opnieuw) onder de loep te nemen. In deze nieuwsbrief geven wij u hiertoe concrete aandachtspunten.

Wat is een “activiteit van private opsporing”?

Activiteiten van private opsporing zijn activiteiten die:

(1) uitgevoerd worden door een natuurlijke persoon;
(2) in opdracht van een opdrachtgever;
(3) die bestaan uit het verzamelen van inlichtingen verkregen door de verwerking van informatie over natuurlijke of rechtspersonen of over de toedracht van de door hen begane feiten; en
(4) die als doel hebben om de verzamelde inlichtingen te bezorgen aan de opdrachtgever om diens belangen in het kader van een effectief of mogelijk conflict te vrijwaren of om verdwenen personen of verloren of gestolen goederen op te sporen.

Binnen HR gaat dit bijvoorbeeld om een onderzoek naar een feit gepleegd door een werknemer op basis waarvan de werkgever beslist om over te gaan tot een disciplinaire sanctie of de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

De WPO sluit bepaalde activiteiten uit van het toepassingsgebied, waarbij er twee in het bijzonder relevant zijn voor HR:

1. Activiteiten uitgeoefend voor rekening van de opdrachtgever ter uitvoering van wettelijke verplichtingen of opdrachten, die zelf niet private opsporing als doel hebben, bijvoorbeeld preventieadviseurs die een onderzoek voeren na een (in)formeel verzoek tot psychosociale interventie.

2. HR-medewerkers die informatie opzoeken over een sollicitant op het internet, bij vroegere werkgevers of bij de door de sollicitant opgegeven referentiepersonen (zie verder).

Valt een personeelsdienst onder het toepassingsgebied van de wet?

Wanneer een personeelsdienst structureel voor de eigen werkgever activiteiten van private opsporing uitoefent of zich als zodanig bekendmaakt, kwalificeert deze als een “interne dienst voor private opsporing” en valt deze binnen het toepassingsgebied van de wet. Structureel betekent dat de activiteit behoort tot de taken van minstens één werknemer.

Er is echter discussie of personeelsdiensten die slecht occasioneel activiteiten van private opsporing verrichten ook onder het toepassingsgebied van de wet vallen.

Zolang deze discussie niet is uitgeklaard, raden wij aan om de regels van de WPO veiligheidshalve als good practice toe te passen. In het licht van deze nieuwe wet raden we ook aan om na te gaan of andere aspecten van uw HR-beleid, met betrekking tot het opvragen en onderzoeken van informatie over sollicitanten en werknemers, in overeenstemming zijn met de toepasselijke regelgeving. Hieronder een kort overzicht van de meeste relevante regels in de WPO en andere relevante regelgeving.

Het opvragen en onderzoeken van informatie over sollicitanten

1. Welke informatie kan je opvragen tijdens een sollicitatie?

Met het oog op het recht op privacy van de sollicitant, mag tijdens een sollicitatieprocedure enkel de informatie worden opgevraagd die noodzakelijk is voor de selectie van de sollicitant. Het opvragen van gevoelige gegevens, zoals het gerechtelijke verleden en de gezondheid van de sollicitant, is in principe verboden, tenzij een wettelijke uitzondering van toepassing is.

2. Informatie opzoeken op het internet, bij de vroegere werkgever of bij referentiepersonen

Ook al is dergelijk onderzoek uitgesloten van het toepassingsgebied van de WPO, zijn er in het kader van de privacywetgeving toch een aantal aandachtspunten.

Bij een referentieonderzoek blijft het principe gelden dat dit noodzakelijk moet zijn voor de selectieprocedure. Werkgevers mogen niet systematisch informatie gegeven door de sollicitanten bij derden controleren en moeten eerst verduidelijking vragen aan de sollicitant zelf. Daarnaast is hiervoor toestemming van de sollicitant vereist, onder meer met betrekking tot de reden voor het verzamelen van de gegevens en over de personen die geraadpleegd worden. De sollicitant moet ook altijd op de hoogte worden gebracht wanneer informatie wordt opgevraagd.

Het controleren, opvragen en onderzoeken van informatie over werknemers

1. Reglement rond private opsporing

De werknemers moeten ervan op de hoogte zijn dat er activiteiten van private opsporing uitgevoerd kunnen worden. De WPO voorziet dan ook dat de toelating en modaliteiten van private onderzoeken opgenomen moeten worden in een reglement (bijvoorbeeld in een cao, bijlage bij het arbeidsreglement of een beslissing van de ondernemingsraad). We raden aan om het reglement op te nemen in een policy gezien dit meer flexibiliteit biedt.

De wet voorziet een termijn van 2 jaar om dit reglement op te stellen, wat betekent dat dit reglement tegen 16 december 2026 opgesteld zal moeten worden. Tijdens de overgangsperiode kan men geldig zonder reglement activiteiten van private opsporing uitvoeren, al zal men de andere bepalingen van de WPO wel al moeten naleven. Indien er tegen 16 december 2026 geen reglement opgesteld is en men na deze datum een privaat onderzoekt uitvoert, zullen alle bevindingen uit dit privaat onderzoek als nietig worden beschouwd.

2. Interviews

De regels rond interviews in de WPO leiden niet tot de nietigheid van de bevindingen indien ze niet nageleefd worden, maar we raden toch aan ze als good practice te volgen bij het ondervragen van werknemers. Volgens de WPO mag een ondervraging alleen plaatsvinden met voorafgaande toestemming van en specifieke informatie aan de betrokken werknemer.
Na de ondervraging moet een schriftelijk verslag worden opgemaakt. Als de ondervraging wordt opgenomen, is expliciete toestemming van de werknemer vereist, die ook recht heeft op een gratis kopie van de opname.

3. Controle van de werknemers

Werkgevers kunnen hun werknemers op verschillende manieren controleren, zoals het controleren van professioneel e-mail- en internetgebruik, het opnemen van professionele telefoongesprekken, camerabewaking op de werkplek of het volgen van bedrijfswagens via geolokalisatie. Bij het opstellen van een beleid met betrekking tot deze vormen van controle van de werknemers moet er steeds rekening gehouden met de volgende drie principes:

  • Finaliteit: de controle en monitoring moet steeds een rechtmatig doel hebben op basis van reglementering en de GBA.
  • Evenredigheid: Controle mag niet verder gaan dan strikt noodzakelijk en moet de privacy van werknemers maximaal respecteren.
  • Transparantie: Werknemers moeten duidelijk geïnformeerd worden over alle aspecten van de controle. Dit kan in principe via een policy, het arbeidsreglement of de arbeidsovereenkomst.

Bij sommige vormen van controle is ook bijkomend overleg, een voorafgaande voorlichting of zelfs de toestemming van de werknemers nodig.

! Actiepunten:

  • Let op met welke informatie je opvraagt tijdens sollicitaties. Informeer de sollicitant, en vraag indien nodig diens toestemming, indien je wenst over te gaan tot een referentieonderzoek of controle van de sociale media van de sollicitant.
  • Stel een reglement op voor de werknemers waarin duidelijk bepaald wordt dat activiteiten van private opsporing uitgevoerd kunnen worden en wat de modaliteiten ervan zijn.
  • Houd als good practice rekening met de regels in de WPO over interviews.

Als je werknemers controleert via camerabewaking, e-mailcontrole, etc., kijk dan na of er voldaan werd aan de verplichtingen voor consultatie en informatie, en of toestemming van de werknemers vereist is.

Indien u vragen heeft over dit onderwerp, aarzel niet om ons te contacteren via legal@pro-pay.be.

Aanpassing kilometervergoeding vanaf 1 april 2025

Aanpassing kilometervergoeding vanaf 1 april 2025

Werknemers die beroepsverplaatsingen maken met hun eigen wagen kunnen van hun werkgever een terugbetaling krijgen van de gemaakte kosten.

Het is niet nodig om het juiste bedrag van deze kosten te bewijzen, aangezien de overheid een maximum forfaitair bedrag per kilometer heeft vastgelegd dat aanvaard wordt als kost eigen aan de werkgever (“kilometervergoeding”). Deze kilometervergoeding is vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen en belastingen indien het maximumbedrag per kilometer niet wordt overschreden.

Het nieuwe bedrag dat van toepassing is vanaf 1 april 2025 tot en met 30 juni 2025 is 0,4320 EUR per kilometer.

Ter herinnering: het bedrag dat van toepassing was van 1 januari 2025 tot en met 31 maart 2025 bedroeg 0,4290 EUR per kilometer. Er is dus sprake van een lichte stijging tegenover het vorige bedrag.

Het is alternatief mogelijk om te kiezen voor de jaarlijkse indexering van de kilometervergoeding. Een werkgever kan dus kiezen tussen de driemaandelijkse geïndexeerde bedragen of het jaarlijks geïndexeerd bedrag, dat 0,4415 EUR bedraagt voor de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 juni 2025. In het laatste geval moet de werkgever dus hetzelfde bedrag behouden gedurende de hele periode.

Een bijkomende voorwaarde is dat het aantal afgelegde kilometers per jaar niet abnormaal hoog mag zijn (maximum 24.000 km per jaar). Als het aantal kilometers hoger ligt, moet hiervan bewijs geleverd worden.

Deze driemaandelijkse en jaarlijkse geïndexeerde bedragen zijn maximumbedragen. Werkgevers kunnen zonder problemen een lagere vergoeding per kilometer toepassen. Een hogere vergoeding per kilometer is ook mogelijk, maar dan ligt de bewijslast bij de werkgever en de werknemer. Zij moeten bewijzen dat de betaalde vergoeding overeenkomt met de reële kostprijs.

Nieuwe verhoging vergoeding bureaukosten vanaf 01.03.2025

Nieuwe verhoging vergoeding bureaukosten vanaf 01.03.2025

Werknemers die structureel en regelmatig thuiswerken kunnen daarvoor een forfaitaire kostenvergoeding ontvangen van hun werkgever. Het maximumbedrag van deze kostenvergoeding werd op 01.03.2025 verhoogd van 154,74 EUR per maand naar 157,83 EUR per maand.

Verhoging bureauvergoeding

Aangezien de kosten verbonden aan het thuiswerk relatief klein en moeilijk bewijsbaar zijn, aanvaarden de RSZ en de fiscus dat men deze kosten forfaitair raamt. De forfaitaire bureauvergoeding is onder andere bedoeld om kosten voor verwarming, elektriciteit, water, verzekeringen, kantoorbenodigdheden en versnaperingen te dekken.

De RSZ heeft in haar tussentijdse administratieve instructies meegedeeld dat de bureauvergoeding opnieuw geïndexeerd werd. Het maximumbedrag van 154,74 EUR per maand werd met ingang van 01.03.2025 verhoogd naar 157,83 EUR per maand.

De fiscus volgt het bedrag van de bureauvergoeding zoals vastgesteld door de RSZ, alsook de evolutie van dit bedrag. Het bedrag van 157,83 EUR is dus vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen en belastingen.

Het bedrag van 157,83 EUR per maand is een maximumbedrag. Het is dus niet verplicht om dit maximumbedrag toe te kennen, maar het staat u vrij om het bedrag te verhogen tot 157,83 EUR per maand vanaf 01.03.2025.

We willen u er ook aan herinneren dat er voor thuiswerkers een schriftelijke overeenkomst dient opgesteld te worden, in principe ten laatste op het moment dat de werknemer begint met het thuiswerk. In dit geschrift moeten bepaalde verplichte vermeldingen worden opgenomen, zoals de plaats waar de werknemer zal telewerken, de manier waarop de kosten zullen worden vergoed, etc.

Andere kostenvergoedingen voor thuiswerk

Bovenop de bureauvergoeding kan de werkgever ook nog de volgende zaken forfaitair vergoeden:

  • 20 EUR per maand indien de werknemer zijn/haar privé-internetverbinding gebruikt voor professionele doeleinden.
  • 20 EUR per maand indien de werknemer zijn/haar eigen pc gebruikt voor professionele doeleinden.
    OF 10 EUR per maand (5 EUR per item) voor het professioneel gebruik van een eigen tweede computerbeeldscherm en printer/scanner (en dit gedurende een maximale termijn van 3 jaar). Let wel op, deze vergoeding kan niet gecumuleerd worden met de het forfait van 20 EUR per maand voor het gebruik van de eigen pc.

Deze vergoedingen werden niet verhoogd: de maximumbedragen blijven dus hetzelfde.

Uiteraard kunnen de forfaitaire bedragen enkel worden toegekend indien de bureau- en internetkosten niet reeds op een andere manier vergoed worden aan de werknemer.

Actiepunt

Informeer uw Payroll Business Partner indien u de forfaitaire bureauvergoeding wenst te verhogen. De verhoging is niet verplicht.

Impact verhoging treintarieven op woon-werkverkeer in 2025

Impact verhoging treintarieven op woon-werkverkeer in 2025

Op 1 februari 2025 worden de tarieven van de trein (NMBS/SNCB) verhoogd. We delen in deze nieuwsbrief mee wat deze tariefverhogingen voor u als werkgever betekenen.

Allereerst herhalen we in een notendop de algemene regels die bepalen of u als werkgever verplicht dient tussen te komen in de kosten verbonden aan de woon-werkverplaatsing van uw werknemers:

  1. Voor werknemers die met het openbaar vervoer naar het werk komen is de werkgever verplicht om een bijdrage te betalen vanaf de 1e kilometer. Voor alle werkgevers geldt een minimum tussenkomst die werd vastgelegd op het niveau van de Nationale Arbeidsraad (NAR). Binnen de NAR werd een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten die voorziet in een tussenkomst door de werkgever op basis van forfaitaire bedragen. Deze bedragen werden aangepast door de collectieve arbeidsovereenkomst nr.19/11 van 8 april 2024. Deze collectieve arbeidsovereenkomst voerde ook een systeem in van automatische verhoging van de forfaitaire werkgeversbijdrage wanneer de prijzen van NMBS- vervoerbewijzen stijgen.
  2. Voor werknemers die naar het werk komen met de fiets is de werkgever verplicht een fietsvergoeding te betalen. Sinds 1 mei 2023 moeten werkgevers die vallen onder een sector die geen cao heeft gesloten over fietsvergoedingen of werkgevers die geen bedrijfs-cao hebben gesloten, een door de NAR opgelegde fietsvergoeding toekennen waarvan het geïndexeerde basisbedrag 0,29 EUR (geïndexeerd bedrag 2025) per kilometer bedraagt.

    De fietsvergoeding is tot een bepaalde hoogte vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen en belastingen. Sinds 1 januari 2025 bedraagt het maximaal vrijgesteld bedrag 0,36 EUR per kilometer. Bovendien werd het jaarlijkse plafond van 2.500 EUR sinds 1 januari 2025 verhoogd naar 3.610 EUR. Het gedeelte van de jaarlijkse fietsvergoeding dat het plafond overschrijdt, zal onderworpen worden aan sociale zekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing.
  3. Voor werknemers die naar het werk komen met een eigen vervoersmiddel (bv. auto) dient nagekeken te worden of er op sectorvlak een tussenkomst voorzien is.

Zoals u hieronder kan lezen hebben de tariefverhogingen van de openbare vervoersmaatschappijen niet op elke werkgever een impact.

Trein

De NMBS verhoogde met ingang van 1 februari 2025 de tarieven van treintickets met 2,91%. De tarieven van treinabonnementen zijn verhoogd met 3,03%. Of u deze prijsstijging mee betaalt als werkgever, hangt af van het paritair comité (sector) waaronder uw onderneming valt en de collectieve arbeidsovereenkomsten die werden afgesloten in dit paritair comité:

  • Uw sector bepaalt niets over de tussenkomst in het woon-werkverkeer of verwijst naar de algemene minimumregeling die werd uitgewerkt door de NAR -> Uw bijdrage is verhoogd op basis van de bedragen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 19/11 van 8 april 2024 en zal automatisch worden verhoogd wanneer de treintarieven stijgen.
  • Uw sector voorziet dat de tussenkomst van de werkgever gelijk is aan een percentage van de werkelijke treintarieven ->Uw tussenkomst zal stijgen.
  • U maakt gebruik van een derdebetalersregeling waarbij u als werkgever 80% van de werkelijke prijs van het treinabonnement aan de treinmaatschappij betaalt en de overheid de overige 20% betaalt -> Uw tussenkomst zal stijgen.

Metro, tram, bus, waterbus

Komt uw werknemer met de metro, tram, bus of waterbus naar het werk? Kijk eerst en vooral of uw sector iets heeft bepaald voor deze terugbetaling.

Als uw sector niets bepaalt, dan zullen de prijsstijgingen een impact hebben op uw tussenkomst in het woon-werkverkeer, en dit afhankelijk van welke onderstaande regeling van toepassing is:

  1. Is de prijs van het vervoersbewijs afhankelijk van de afstand? Dan wordt de werkgeversbijdrage berekend op basis van de forfaitaire vastgestelde bedragen van het door de trein georganiseerde vervoer, maar de bijdrage is begrensd tot 75% van de werkelijke vervoerprijs.
  2. Staat de prijs van het vervoersbewijs los van de afstand? De bijdrage van de werkgever bedraagt 71,80% van de werkelijke vervoerprijs, met als maximum de forfaitaire bijdrage voorzien voor de trein voor een afstand tot 7 kilometer.

CAO nr. 19/11 schrapte de vereiste minimumafstand van 5 kilometer.

Privévervoer

Komt uw werknemer met de eigen wagen of te voet naar het werk? Een verplichte tussenkomst in het privévervoer is niet voorzien door de NAR. Daarom is de tussenkomst van de werkgever voor privévervoer vaak sectoraal of op ondernemingsniveau geregeld. Als uw sector verwijst naar de forfaitaire bedragen van het door de trein georganiseerde vervoer, dan zal uw werkgeversbijdrage niet verhogen. Sommige sectoren verwijzen echter naar een percentage van de werkelijke kostprijs van de treintarieven. In dit geval zal de tussenkomst van de werkgever in het woon-werkverkeer wel stijgen.

Komt uw werknemer met de fiets naar het werk? Dan zullen de prijsstijgingen van de NMBS geen impact hebben op uw tussenkomst in het woon-werkverkeer.

Gecombineerd gemeenschappelijk openbaar vervoer

Uw werknemer combineert de trein met één of meerdere andere vormen van openbaar vervoer? Controleer eerst en vooral de regelingen in uw sector.

Als uw sector niets bepaalt en als er slechts één vervoerbewijs afgeleverd is voor de hele afstand, dan wordt de bijdrage van de werkgever berekend op basis van de vastgestelde forfaitaire bedragen van het door de trein georganiseerde vervoer. Indien er meerdere vervoerbewijzen worden afgeleverd, moet voor elk vorm van openbaar vervoer afzonderlijk de werkgeversbijdrage berekend worden. Deze werkgeversbijdragen moeten worden samengeteld.

Actiepunt

Indien uw bijdrage voor het woon-werkverkeer van uw werknemers stijgt, zullen wij automatisch voor u de correcte bijdrage berekenen. Zijn er echter wijzigingen in de wijze waarop uw werknemer naar het werk komt? Vergeet je Payroll Business Partner niet tijdig te informeren!

Het opleidingsplan: de deadline voor elektronische neerlegging nadert!

Het opleidingsplan: de deadline voor elektronische neerlegging nadert!

Sinds de Arbeidsdeal moeten werkgevers met minstens 20 werknemers jaarlijks een formeel opleidingsplan opstellen.

Meer informatie over wat er in dit opleidingsplan moet staan, kan teruggevonden worden in onze vorige nieuwsbrief.

Het ontwerp van het opleidingsplan moet elk jaar ten laatste op 15 maart gedeeld worden met de ondernemingsraad, of bij gebrek daaraan de vakbondsafvaardiging, of bij gebrek daaraan de werknemers. Het finale opleidingsplan moet ten laatste op 31 maart opgesteld worden.

Zodra het finale opleidingsplan opgesteld is, moet het elektronisch worden neergelegd via de applicatie https://www.transfer.werk.belgie.be/.

! De verplichting om een jaarlijks opleidingsplan op te stellen en neer te leggen staat los van de verplichting om de opleidingen van werknemers te registreren in de Federal Learning Account (of, tot 31 maart 2025, in een individuele opleidingsrekening).

Deadlines

  1. Opleidingsplannen voor de jaren 2023 en 2024: moeten ten laatste op 1 maart 2025 neergelegd worden.
  2. Toekomstige opleidingsplannen: moeten binnen de maand na de inwerkingtreding van het plan neergelegd worden.

    Indien de bovenvermelde deadlines met betrekking tot het opstellen van het opleidingsplan worden nageleefd, moet het opleidingsplan voor 2025 ten laatste op 30 april 2025 neergelegd worden.

Indien u vragen heeft over dit onderwerp, aarzel dan niet om ons te contacteren via legal@pro-pay.be.